Er ligt een steen in de woestijn. Hij is hard, groot maar prachtig van kleur. Toch ligt hij te jammeren. "Ik lig hier maar eenzaam met alleen maar zand om me heen," verzucht hij. De wind geselt de steen. Het zand schuurt de steen. De zon brandt de steen. En hij moet het maar verdragen. Want een steen kan nergens heen. Op een dag komt een bedoeïnen langs. "Wat schittert die steen prachtig in de zon," zegt hij, "en al die mooie kleuren! Wat is hij mooi glad door al dat schuren van de wind. De vorm is ook heel apart en wat bijzonder dat er hier maar één steen ligt. Echt uniek, ik heb nog nooit zo'n mooie steen gezien." Die avond ging het regenen, nadat weer een volle dag de zon had geschenen. Het water siste op de gloeiende steen. Eerst kromp de steen ineen en plotseling dacht hij aan de woorden van de bedoeïen. Hij verwelkomde het water en ging voelen hoe het hem verkwikte, hoe anders het voelde als de zon. De wind stak op en de steen realiseerde zich voor het eerst, dat die straffe, geselende, vaak vervelende stormwind, die bloedhete zon en de kille regens verantwoordelijk zijn voor zijn mooie en unieke vorm.